Rameinse Cijfers
I
=
1
XI
=
11
XXX
=
30
CCXXIV
=
224
II
=
2
XII
=
12
XL
=
40
CCC
=
300
III
=
3
XIII
=
13
L
=
50
CD
=
400
IV
=
4
XIV
=
14
LX
=
60
D
=
500
V
=
5
XV
=
15
LXX
=
70
DC
=
600
VI
=
6
XVI
=
16
LXXX
=
80
DCC
=
700
VII
=
7
XVII
=
17
XC
=
90
DCCC
=
800
VIII
=
8
XVIII
=
18
C
=
100
CM
=
900
IX
=
9
XIX
=
19
CXI
=
111
M
=
1000
X
=
10
XX
=
20
CC
=
200
MM
=
2000



1.
Voor romeinse getallen worden letters uit het Latijnse alfabet gebruikt. Alleen volgende letters hebben een cijferwaarde:
M
=
1000
D
=
500
C
=
100
L
=
50
X
=
10
V
=
5
I
=
1
Alleen hoofdletters zijn toegestaan.

2.
Een romeins getal heeft als structuur een reeks waarden, elk gevormd door één of twee tekens die bij elkaar moeten worden opgeteld. Een waarde kan uit twee tekens bestaan als de eerste 'subtractief' is gebruikt. Dat wil zeggen: vóór een teken met een hogere waarde geplaatst, zodat ze van die hogere waarde dient te worden afgetrokken. Zo wordt 4 'IV ' geschreven: 5-1. (Zie ook regel 5.)
Tweemaal een waarde aftrekken van hogere waarde, mag niet. Op die manier zou een combinatie van drie tekens ontstaan. 'IIX' voor 8 kan dus niet; het moet 'VIII' zijn.
In één getal kunnen waarden van dezelfde grootte-orde ook niet tegelijk worden afgetrokken én opgeteld. Combinaties als 'IXI' (10-1+1) of 'IXV' (10-1+5) zijn dus niet toegelaten.
Enkel I , X en C worden subtractief gebruikt. Er is nog een bijkomende beperking: alleen de combinaties IV , IX , XL , XC , CD en CM zijn toegelaten. 49 wordt dus niet 'IL' genoteerd maar 'XLIX' .

3.
De waarden staan in aflopende volgorde. Een bepaalde waarde wordt altijd gevolgd door een kleinere of even grote waarde. 99 is dus niet 'IXXC' maar 'XCIX' .

4.
De tekens (= letters/cijfers) V , L en D mogen slechts éénmaal in een getal voorkomen en worden ook nooit subtractief gebruikt. De notaties 'LD' voor 450, of 'VC' voor 95, zijn dus foutief. Het moet 'CDL' respectievelijk 'XCV' zijn.

5.
In de oudste notaties van romeinse getallen bestonden geen beperkingen voor de andere tekens ( M , C , X , I ) maar in de latere praktijk werd het aantal keren dat een zelfde teken achter elkaar werd gebruikt, beperkt tot 3.
4 werd dus oorspronkelijk 'IIII' genoteerd, maar later werd het 'IV' .
Op klokken met een romeinse wijzerplaat wordt de oude notatie overigens nog wel gebruikt. De 4 wordt als 'IIII' genoteerd en soms wordt de 9 als 'VIIII' genoteerd.
PRINTEN